13 tips om AutoCAD performance te verbeteren

Het AutoCAD forum is gericht op de AutoCAD en AutoCAD LT gebruiker. U kunt hier vele AutoCAD tips en tricks vinden. Daarnaast zijn er een groot aantal Autodesk video tutorials te bekijken.

Moderators: Bram, Joost, Coen, DavidN, Anton, Henk, Roy_M, Emre, Frank

Gebruikersavatar
Roy_M
Berichten: 55

13 tips om AutoCAD performance te verbeteren

Berichtdoor Roy_M » wo 10 apr 2019, 08:54

Als we kijken naar de ontwikkeling van AutoCAD in de afgelopen jaren dan zien we dat de grootste veranderingen te vinden zijn in hoe dingen gepresenteerd worden aan de gebruiker. AutoCAD is door alle visuele hulpmiddelen een stuk gebruiksvriendelijker geworden. Direct gevolg daarvan is helaas dat de belasting van de hardware daardoor ook hoger geworden is en dat de performance soms niet aansluit bij de verwachtingen.

Om een verbetering in de performance van AutoCAD te krijgen kun je direct investeren in nieuwe hardware óf je probeert eerst onze tips om AutoCAD een boost te geven. We kijken naar 13 systeemvariabelen waarbij sommige direct invloed hebben op de performance van AutoCAD en in andere gevallen zorgen voor een snellere ervaring en daarmee hetzelfde effect zal hebben.


1. Tooltips Deze systeemvariabele staat standaard op “1”, waardoor er een zogenaamde Tooltip getoond wordt op het moment dat je met je muis boven een knop blijft staan. Zet deze op de waarde “0” voor een betere performance.

Afbeelding
Voorbeeld van een Tooltip

2. Rollovertips Als de Rollovertips systeemvariabele op “1” staat zal een Tooltip getoond worden op het moment dat je met je krijsdraad boven een object blijft staan. Zeker bij het gebruik van grote tekeningen kan het uitzetten (op de waarde “0” zetten) van deze variabele snelheidswinst opleveren.

Afbeelding
Voorbeeld Rollover Tooltip

Let op, gebruikers van onze InfraCAD MAP applicatie kunnen deze functie beter niet uit zetten aangezien deze gebruikt wordt in de software om aanvullende informatie te verstrekken.

3. Selectionpreview Deze ligt in lijn met de 2 voorgaande variabelen. De Selectionpreview systeemvariabele staat standaard op “3”, waardoor een object een zogenaamde highlight krijgt op het moment dat je met je kruisdraad over een object beweegt. Zet de waarde op “0” om geen highlight meer te krijgen voor een betere performance.

Afbeelding
Voorbeeld Selectionpreview, link met waarde 3, rechts met waarde 0

4. Highlight Deze systeemvariabele regelt of een object dat geselecteerd is een highlight krijgt of niet. Standaard staat deze ingesteld op “1” (oftewel een geselecteerd object krijgt een highlight). Wordt deze ingesteld op “0” dan wordt er geen highlight toegepast.

Afbeelding
Voorbeeld Highlight, links met waarde 1, rechts met waarde 0

5. Expert Bij het gebruik van deze systeemvariabele worden bepaalde meldingen in AutoCAD niet meer getoond en zal als standaard antwoord op een vraag YES ingevuld worden. De variabele kan in 6 niveaus ingesteld worden:
  • 0- Alle meldingen worden gewoon getoond en niet standaard beantwoord;
  • 1- De meldingen “About to regen, proceed?” en “Really want to turn the current layer off?” worden niet meer getoond;
  • 2- Hetzelfde als 1, aangevuld met de meldingen “Block already defined. Redefine it?” en “A drawing with this name already exists. Overwrite is?”;
  • 3- Hetzelfde als 2, aangevuld met meldingen volgend uit het commando “Linetype”;
  • 4- Hetzelfde als 3, aangevuld met meldingen volgend uit de commando’s “UCS save” en “VPORTS save”;
  • 5- Hetzelfde als 4, aangevuld met de melding “That name is already in use, redefine it?”;
Alle meldingen worden dus niet meer getoond en op de achtergrond standaard beantwoord met YES.
Zoals je kunt zien is de naam van de variabele niet voor niks EXPERT. Let goed op bij het gebruik hiervan!

6. Peditaccept Standaard staat deze op “0”, waardoor onderstaande vraag getoond kan worden na gebruik van het commando “PEDIT”:

Afbeelding
Vraag bij PEDIT commando
Indien voor de waarde “1” gekozen wordt dan zal de melding niet meer getoond worden en wordt standaard voor YES gekozen.

7. Layoutregenctl Middels deze variabele wordt geregeld hoe AutoCAD om gaat met het gebruik van het geheugen van de computer in relatie tot het wisselen tussen de Layout tabs van de tekening.
Standaard staat hij op “2” en kan ingesteld worden op “0” of “1” om de performance te verbeteren. Het effect van deze instelling is sterk afhankelijk van de grootte en opbouw van de tekening.
  • 0- Bij iedere wisseling tussen de Layout tabs vindt er een regeneratie plaats (geeft de beste performance)
  • 1- De zogenaamde “Display list” van de Model tab en de laatst gebruikte Layout tab wordt opgeslagen in het geheugen, er zal geen regeneratie plaatsvinden bij het wisselen tussen deze 2 tabs
  • 2- Bij iedere keer dat voor het eerst naar een tab gewisseld wordt zal een regeneratie plaatsvinden, daarna wordt deze opgeslagen in het geheugen en zal gedurende de rest van de tekensessie geen regeneratie meer plaatsvinden. Uiteraard herhaald dit proces zich als de tekening afgesloten en weer opnieuw geopend wordt.

8. Draworderctl Standaard staat deze ingesteld op “3”. Dit kan er voor zorgen dat, zeker bij grotere tekeningen, het aanpassen van objecten trager wordt. Met deze variabele wordt geregeld in welke volgorder objecten getoond worden die bovenop elkaar liggen. Verander de waarde naar “0” voor een betere performance.
  • 0- De standaard Draworder staat uit;
  • 1- De standaard Draworder staat aan;
  • 2- Er wordt rekening gehouden met de Draworder van het originele object nadat deze bewerkt is met een bewerkingscommando (zoals bijvoorbeeld JOIN of PEDIT). De nieuw gecreëerde objecten krijgen dezelfde Draworder als het originele object;
  • 3- Een combinatie van waarde “1” en waarde “2”;

9. Isavepercent Een zeer onbekende en onderkende systeemvariabele. Hiermee wordt geregeld hoeveel “vrije ruimte” er in een DWG bestand gereserveerd wordt voor toekomstige SAVES van de tekening. De standaard waarde is “50”, waardoor er ruimte vrij gehouden wordt voor het opnieuw opslaan van de tekening in de toekomst (onder dezelfde naam uiteraard). Hierdoor duurt het opslaan van de tekening minder lang. Door de waarde te verhogen tot maximaal “100” wordt er meer ruimte gereserveerd voor toekomstige SAVES en zal dit proces snel blijven verlopen. Bijkomend nadeel is wel dat het bestand groter zal zijn dan nodig.

Wordt de waarde op “0” ingesteld dan wordt er geen ruimte gereserveerd en blijft het bestand dus zo klein mogelijk. Het opslaan van de tekening zal dan wel meer tijd in beslag nemen. Grote voordeel van deze werkwijze is dat er minder problemen ontstaan bij het gebruik van de tekening in andere software dan AutoCAD. Ook worden problemen vermeden met sommige antivirus software die niet kunnen omgaan met deze “lege ruimte”.

10. Paletteopaque Standaard kan voor Palettes in AutoCAD een transparantie ingesteld worden. Dit vraagt echter veel van de hardware en zorgt daardoor voor een mindere performance. Door de systeemvariabele Paletteopaque in te stellen op “1” wordt de transparantie uit gezet. Standaard waarde is “0”.

Afbeelding
Voorbeeld van een Palette met transparantie

11. Hpquickpreview Bij het plaatsen van Hatch objecten wordt standaard een preview gegeven van het gebied dat gearceerd zal gaan worden. Dit kan, zeker bij grote tekeningen, zorgen voor zeer grote performance problemen. Door de weergave van een preview uit te zetten kan dus potentieel een flinke boost geven aan de performance. Het uitzetten van de preview kan door de systeemvariabele HPQUICKPREVIEW op “OFF” te zetten (standaard is “ON”).

12. Zoomfactor Deze systeemvariabele regelt de snelheid waarmee in- en uitgezoomd wordt bij het gebruik van het scroll-wieltje van de muis. Standaard staat deze op de waarde “60”. De waarde kan ingesteld worden tussen “3” en “100”, waarbij “3” het langzaamst is en “100” het snelst. Voor beginners is een waarde van ongeveer “30” prima, terwijl de doorgewinterde AutoCAD gebruiker een waarde hoger dan 60 zou kunnen uitproberen.

13. Whipthread Hiermee kan gespecificeerd worden hoeveel processoren er gebruikt worden. Hierbij is het uiteraard noodzakelijk dat de computer ook meer dan 1 processor bevat. Indien er maar 1 processor aanwezig is dan heeft deze variabele geen effect.
Standaard is de waarde 1, maar kan ingesteld worden op 4 niveaus:
  • 0- Geen multithreading;
  • 1- Alleen het regenereren van het model wordt uitgevoerd door meerdere processoren;
  • 2- Alleen bij een REDRAW worden meerdere processoren gebruikt;
  • 3- Zowel bij het gebruik van een REDRAW áls bij het regenereren van het model worden meerdere processoren gebruikt;

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Google [Bot] en 7 gasten

cron
Autodesk AEC Collection